Agave

Gedichten over kenmerkende planten
en dieren op Bonaire; nr. 4

Grijs en onbewogen
tegen klippen, machtig blad
van stijve adel en vermogen
blauwe schijn, het koele dat
met hard opeengeklemde kaken
aanstuurt op fatale bloei
met kracht omhoog gedreven staken
masten naar de wind gegroeid
getuigd, gereed om uit te varen
bloemenzeil in top gehesen
dan, in zicht van zee, zo zwaar en
vallen, sterven, duizend wezen:
jong agavenbroed dat bloot
van boord rolt, aanspoelt op het droge
zoekt naar houvast, het begin
van grijs en onbewogen.
 

De agave is geen vriendelijke plant: overweldigend groot, ook zonder bloeistengel al, en met vlijmscherpe punten en stekelranden. Statig om te zien, dat wel. Onaanraakbaar en onkwetsbaar. Maar als hij gaat bloeien, met zijn vele meters hoge masten vol gele, lelie-achtige bloemen, verandert dat. Hij wordt vriendelijker en tegelijk ook kwetsbaar. Wat heet: de bloei is meteen ook het einde van de agave, hoe groot en sterk hij er op dat moment ook uitziet. Hij sterft en kapseist. En dan blijkt hij - 'zij' is misschien meer op zijn plaats - levendbarend te zijn. Waar de bloemen zaten, zijn intussen kant-en-klare jonge agaves gegroeid die op de grond vallen en - zodra het een keer wat regent - wortelen.

Thema: 

Home button