Bonaire

Wees stil

liggen
en omhoog kijken

Wees stil, troepiaal
deze dag heeft genoeg
aan het waaien
de wind
in de wattige wolken
verbinding van kimmen
onmerkbaar verslinden ze
weerloze tijd 
eeuw na eeuw
van de eeuwigheid.

Je kunt het overal doen, zien, ervaren. Maar een dakterras helpt, net als een aangename temperatuur en een stevige passaatwind. Wolken die de tijd meenemen, van nimmer naar nooit en van nergens naar nergens, Een ononderbroken voorbijgaan, ongrijpbaar en onstuitbaar. En zonder einde.

Thuiswind

Ze blijven op afstand
beschrijven hun baan
in een boog om deze rots
niets te zoeken hier
een staartje, ja
de lange vingers
van verschraalde golven
vreemde stiltes.
Isaac heten ze, Catrina, Andrew
zwervende Amerikanen
herfstig voelen, harten vullen
wild wordt het verlangen, woelen
als de wiedeweerwind gaan
ze stormen
op hun thuisland aan.

Het orkaanseizoen is begonnen, maar de machtige stormen met de trotse Amerikaanse namen verwaardigen zich geen bezoek aan de Benedenwinden. Sturen hun onweersbuien als afgezant, vreemde wolken, onverklaarbare golven, draaiwinden en windstiltes. Ieder zijn deel, het is goed zo.

Papegaaivis

Blauw bewegen, lome staart
roert rimpels in de zee dichtbij
splijt spiegels, lijf in alle staten
buik en zij - en rug en zij
terug buigt hij, draait om zijn as
gepronk en pralen, zonnestraal
een regenboog in zeewiergras
die kleuren kaatst van stil koraal
de hoge kant op, turen naar
een glimp van wat er wuift en strekt
zich onder uitgestrooide glinster
aan het droge oog onttrekt.

De bescheiden boulevard van Kralendijk biedt een goed zicht op de wieren, kleine koralen, grote zeeëgels en vissen in het ondiepe water. Tussen zilverig kabbelen door is het vooral de felgekleurde en beweeglijke papagaaivis die de show steelt. En verwachtingen wekt omtrent wat er verder-en-dieper allemaal te zien moet zijn. Ware het niet dat de glinsterdeken op het water dat voor de reikhalzende kantkijkers verborgen houdt. Maar de papegaaivis doet zijn best. En je kunt gewoon even snorkelen natuurlijk. Of duiken, mocht dat nog niet genoeg zijn.

Waaiboom

Gebogen rug naar
nooit aflatende
passaat die zout
en warmte waait
langs kromme schouders
oude kruin
gestrekte armen, ver
steeds verder reikend
verste blad dat rukt;
grijp vast en knijp en klamp
en rek en buig en buk
verkramp
maar blijven graaien
tot de laatste zucht;
dan zal de wind je zaaien
jonge divi - rechte rug.

In de wind - die er altijd is, uit hetzelfde noordoosten komt en warmte en zout met zich meevoert - groeien veel bomen 'met de wind mee' en ontwikkelen zo een gebogen gestalte. Vooral als ze alleen staan. En het meest als ze ook nog aan de windkant van het eiland groeien. Allemaal 'waaibomen'. Echter, één kan er maar de echte zijn en dat is de Dividivi, of Watapana in het Papiamentu. De kromste en kenmerkendste.

Monarchvlinder

Gedichten over opmerkelijke planten
en dieren op Bonaire; nr 3

Je buitelt voorbij
blad in de wind
de kleur van herfst
oranjebruine werveling
gestreept
in zwart en wit
gevangen
zonder boeien
door de machtige passaat
die meevoert, waait
geen vlinder achterlaat.
Ik kijk je na - en denk
hoe kom je ooit nog terug.
 

De Monarchvlinder is  een trekvlinder,dé trekvlinder van het Amerikaaanse continent. Hij weet onvoorstelbare afstanden te overbruggen en kan ook midden op zee worden aangetroffen, onderweg naar verre eilanden of misschien ook ten dode afgedreven. Voor zijn voortbestaan is hij geheel afhankelijk van de familie der zijdeplanten, waarvan op Bonaire een forse vertegenwoordiger groeit: de katoenboom, Katuna di seda in het Papiamentu. Die groeit hier zelfs uitbundig (zie ook gedicht 'Katoenboom' in Gedichten A-Z). En dus zijn er veel Monarchvlinders te zien: grote vlinders die in de harde passaatwind voorbij komen waaien, altijd dezelfde kant op. Heftig met de vleugels fladderend om hun waardigheid te behouden, maar niet opgewassen tegen het geweld dat ze onherroepelijk meevoert....

Treurduif

Gedichten over opmerkelijke planten en
dieren op Bonaire; nr 1

Onder struiken klaagt hij
zonder uitzicht, zacht
in de bedrukte uren na
het wenden van de dag:
dat het wéér licht werd en
de morgen wéér voorbijging
straks de middag
wéér voorbij zal gaan
zonder het werkelijk verlichten
van zijn onderstruiks bestaan...
Een schaduwvogel wil niet vliegen
die voor blikken schuilend wacht
op schemering, het stille wiegen
in de armen van de nacht.

Van de treurduif, voluit 'geoorde treurduif' vanwege de zwarte streep achter zijn oog, is niet veel te zien. Je hoort hem vooral. Hij houdt zich schuil onder struiken en produceert daar een huilend geluid. Dat begint al vroeg. Maar in de stille, drukkende uren aan het begin van de middag valt dit geklaag het meeste op. Van welk verdriet is hier sprake? De treurduif kiest er toch zelf voor om onder die struiken te blijven, terwijl hij wel degelijk kan vliegen? Nou ja, zijn aanleg beweegt hem daartoe. Maar vliegen kan hij. En soms doet-ie het ook, bijvoorbeeld als hij zich in tijden van schaarste wat meer onder de mensen moet begeven, dat wil zeggen: onder struiken in de buurt van mensen. En natuurlijk is dat huilen ook helemaal geen huilen. Maar de indruk blijft: het is een treurig bestaan.

Toch

 
Blauw en bloei en bonte
vleugels voelen grond gezichten
stille vinnen, geen gewicht
en alle tijd: het is vervuld
niets gaat of moet nog
komen, nog onthuld
geen herfst in Nikiboko
lente bij Lagoen
de winter in Nawati, dooi
in de sabana, geen seizoen
verlang ik - toch – heel even
naar vergaan en vorst
het trage lengen van de dagen
knoppen, terugkeer van de zon
en vogels die opnieuw beginnen
na het kleumen, druilgeblaarte
rag van spinnen
en vooral die eerste dag
bij Karels, dat de jassen uitgaan
met een zucht
de zee te zien en weten
alles is terug.
 

Een beetje vreemd is het wel en het duurt ook nooit lang. Maar waar het altijd zomer is, alles blijft groeien en bloeien en het ideale klimaat zo'n beetje wordt benaderd, kan een mens plotseling verlangen naar die verfoeide druilherfst in Nederland, de gure winter, het altijd weer tegenvallende voorjaar en de zomer die geen zomer wil worden. Eventjes, maar toch. Daarover gaat dit gedicht uit 12 Graden Noorderbreedte. De bijbehorende illustratie (opgenomen in de 'Galerij') verbeeldt de ononderbroken zomer op Bonaire met vier gespiegelde, bijna identieke tekeningen van een zeezicht bij Karels, de bar uit de slotregels.

Katoenboom

 
Gedoogd bestaan
op braaklandrotsen
blikken van herkenning
om het brede blad, de kleine bloemen
maar geen toegang tot de tuin
dat giftig sap, geen plaats
tussen de palmen, bougainville
geen liefdevolle handen
slechts het strelen van de vlinders
die het weten
op een dag zullen ze barsten
de gespannen blazen
ingehouden trots die zich bevrijdt
en zweeft als dwarrelsneeuw
langs wilde passiebloemen
nagekeken door datura’s
naar een plek onder de mensen
kiemt in koesterende schaduw
druppend water, groeit gehaast,
om niet ontdekt te worden eer
de bloei komt al verwijderd
weer verbannen naar de marge
wachten
op een nieuwe kans.
 

Niet echt thuis in de natuur, de katoenboom. En zeker niet welkom in tuinen of op andere gecultiveerde en verzorgde plekken. En toch is hij bijna overal aanwezig, deze doorzetter en overlever. Hij dringt binnen waar hij niet hoort of niet welkom is en is heer en meester in de bermen en het braakland: in de marges. Je ziet hem werken, aanpassen, lijden, op zijn kans wachten, je ziet hem glorieus groeien soms, dit Bonaireaanse evenbeeld van de Nederlandse vlier. Uiterlijk hebben ze niets van elkaar, maar in wezen en gedrag ...

Kralen

Houten palen draad
de kabbelende huisjes rijgen
zich doorlopend
dalen-stijgen, straat na straat
langs randen van de knoek
op zoek naar divi-divi, wayacá
kadushi-kralen
tot de mondi daar
een halt roept, doorngewas
de heuvels, zee
getande kalksteenplaat
veelkleurig glas van zoute meren
het geheime reflecteren
van turkooizen en agaat.

Het gedicht 'Kralen' is opgenomen in de bundel '12 Graden Noorderbreedte, gedichten over Bonaire' (2011). Beschreven wordt hoe de bewerkte elementen van het eiland - de huisjes, de mensen, bomen, straten, planten - als kralen geregen en bij elkaar gehouden worden door de overal aanwezige telefoondraden. Waar die stoppen, niet verder kunnen, begint een andere wereld en liggen nog onontgonnen edelstenen te schitteren. Het zijn de twee verschijningsvormen van het eiland, twee complementaire delen.

Benedenwinds weerlicht

 
De wind gaat liggen
tussen droge heuvels, huizen
onder laaghangende takken
stil, geen blad
waagt te bewegen
donker kruipt het eiland op
te vroeg – te snel
de honden blaffen
daar!
een wolkenzuil op zee
gekooide bliksem
rammelend aan ketens
vuur lekt door de spleten
tergend trekt de reus voorbij
gromt binnensmonds
van tijd die komt
zijn mompelen vervalt tot zwijgen
als de einder dooft
de volgelopen nacht
blijft in verwachting achter.
 

Het gedicht 'Benedenwinds weerlicht' schreef ik op Bonaire, september 2011. Aanleiding was het vrijwel dagelijks verschijnen van een dreigend onweer aan de horizon, een vast onderdeel - zo wordt gezegd - van de zogenoemde orkaantijd. Die orkanen trekken een stuk noordelijker langs, bij de Bovenwinden, maar hun invloed strekt zich wel degelijk tot de Benedenwinden uit. Dat blijft doorgaans bij dreigen, zoals ook het dagelijkse lichten aan de horizon meestal een dreiging blijft. Maar soms komt de reus 's nachts terug en dan is het goed raak.

Pagina's

Abonneren op RSS - Bonaire

Home button