Na hun winterrust ontwaken de bossen 'van onderop': een algemeen principe dat qua invulling verschillende vormen aanneemt omdat bossen nu eenmaal verschillen door grondsoort, ligging, vochtigheid en helling. Het is begin april en ik loop door het Vijlenerbos, het zuidelijkste en hoogst gelegen bos van ons land en niet van het type dertien in een dozijn. Maar net als overal komen ook hier de planten op de bosbodem als eerste tot leven, zodat hun prille blaadjes en bloemen kunnen genieten van het licht dat nog ongehinderd door de kale takken valt. In dit bos zijn het bosviooltjes, grote muur, aronskelken en witte klaverzuring (foto 1) die zich laven aan de zon. Een paar meter daarboven staat her en der een bergvlier te bloeien (foto 2): veel vroeger dan de gewone vlier en met bloemtuilen die eerder aan een sering doen denken dan aan een vlier. En helemaal bovenin bloeit ook al iets en dat is bijzonder. Het is de zoete kers (foto 3), een inheemse boomsoort en stamvader van de gekweekte kersen. Aan zijn verder nog kale takken is witte bloesem te zien, zij het met moeite, want het is een hoge boom met navenant hoge takken. Gelukkig groeit er aan de bosrand een jong exemplaar met takken op ooghoogte en daar laat de bloesem zich gewillig bewonderen.




